Huwelijksreis

Grotere kaart weergeven

Onze niet-alledaagse huwelijksreis naar IJsland begon ‘s ochtends erg vroeg. Ruim op tijd kwamen we op de luchthaven in Brussel terecht, midden in een spontane staking die onze vlucht had afgelast. Halsoverkop werden we naar Schiphol gestuurd waar we niet eens zeker waren of we al dan niet konden vertrekken. De reizigers die er net voor ons arriveerden, kregen te horen dat het vliegtuig volgeboekt was. De laatste twee plaatsen waren net door een herboeking ingenomen. Onze herboeking.

Met een halve dag vertraging kwamen wij dus toch toe in het prachtige, steenkoude en winderige IJsland. We keken vooral erg uit naar Jökulsárlón, een meer waarin enorme stukken ijs afkomstig van een gletsjer liggen als blauw-witte ijsbergen, bestrooid met wat as van Grimsvötn. Ook de aanblik van papegaaiduikers wilden we zeker niet missen. Deze vogels hebben wat weg van papegaaien die waggelen als pinguins en ook wat onhandig rondvliegen. Verder hebben we vooral genoten van het landschap dat elke vijftig kilometer grondig veranderde, het ergens onderweg picknicken op een uitgestrekt zwart strand en het wandelen in een krater die nog rookt van de vorige uitbarsting twintig jaar geleden.

Onze enige vrees was dat we last zouden ondervinden van de Katla, de grootste vulkaan in Europa die momenteel op uitbarsten staat. Gedurende de twee weken op IJsland hebben we er niets van gehoord. Tot op de luchthaven. Het vliegtuig dat ons terug naar huis ging brengen, had de naam “Katla” gekregen.

Ondertussen heeft de vulkaan trouwens heel eventjes kort van zich laten horen. Een gigantische hoeveelheid gletsjerijs is gesmolten en de vloedgolf die hiermee gepaard ging, heeft een 180m lange brug weggespoeld en de zwarte vlakte onder water gezet waar we twee weken eerder nog rustig aan het picknicken waren…

crossposted op pixum, bekijk alle posts van IJsland

9 juni: Keflavik vanuit Brussel via Schiphol
10 juni: vatn
11 juni: onder de vulkanen
12 juni: in zwart en as
13 juni: Mikey Blue Ice
14 juni: dipje
15 juni: puffins
16 juni: rook
17 juni: visvoer
18 juni: ieder om beurt
19 juni: stralend
20 juni: witte bergen
21 juni: tropisch
22 juni: rustig aan

22 juni: rustig aan

 

De zon straalde door de raam op ons gezicht. We deden onze ogen open op wat de laatste dag in IJsland zou worden. De reisgids voorzag dat we vandaag in Reykjavik zouden blijven, maar we wisten sinds Akureyri dat de stad niet echt voor ons was. We besloten dus om terug te rijden naar enkele bezienswaardigheden en wandelingen die we gisteren niet meer konden doen wegens tijdsgebrek.

Een heel eind terug betekende een bezoek aan de langste basaltzuilenrij op IJsland, waar we al snel van wegreden richting het domein waar de Eldborg explosiekrater lag. Dit ding is plots ontstaan in een enorme vlakte waar lava het nodig vond om naar de oppervlakte te komen en een gat van een paar honder meter te slagen.

Aan het begin van de wandeling moesten we over een brug. Een aantal IJslanders waren net bezig met het afbreken ervan, al verraadden de houten planken in hun aanhangwagen wel dat het om een onderhoud ging. We konden nog net over.

Het was een tocht van twee uur door het begroeide lavaveld die tijdens de uitbarsting was ontstaan. Ook zijn we op de krater geweest. Met een rand van anderhalve meter breed en een sterke wind was het vooral beangstigend om daar bovenop te staan. Al snel hadden we de steile klim naar beneden ingezet om terug op de vaste grond en een hele tijd later bij de auto te geraken.

Terug aan de brug waren de mannen net de laatste hand aan het leggen aan de brug. Die IJslanders weten wel wat doorwerken betekent. In een paar uur een brug herstellen, dat wil ik ze in België wel zien nadoen.

Met zicht op een bende paarden in de zon hebben we in de auto gepicknickt en reden dan verder naar Reykjavik. We hadden twee keuzes: rechtstreeks via de tunnel onder Hvalfjörður of het hele fjörd rond. Dit laatste konden we doen wanneer we nog wat tijd over hadden. Wat dacht je. We waren met vakantie. Natuurlijk hadden we tijd over! En wat waren we blij dat we niet voor de donkere duisternis hadden gekozen: het fjörd baadde in de zon en leefde prachtig op. We hebben onze tijd rustig genomen en kwamen ‘s avonds vrij vroeg aan in Reykjavik. Daar hebben we eerst de auto nog wat gewassen. Dan hebben we gegeten in een steakhouse waar ze een puffin- of whale-menu hadden. Hoewel net die menu’s ons naar binnen hadden gelokt, hebben we uiteindelijk niet voor de puffin, maar voor vis gekozen. Monkeyfish.

Rustigaan zonder al teveel haast reden we de luchthaven op. We hebben er nog een paar uur zitten wachten alvorens we konden inchecken en richting vliegtuig konden wandelen.

Voor en tijdens deze reis hebben we steeds gedacht aan hoe we misschien zouden vast komen te zitten doordat de Katla op uitbarsten stond. Die Katla zou onze plannen danig in de war kunnen sturen. Maar, behalve een paar aardbevinkjes, hielt ze zich redelijk rustig. Tegen het einde van de reis dachten we er zelfs niet meer aan dat de vulkaan ons net op het laatste nippertje zou kunnen vasthouden op de luchthaven, en dat voor enkele weken.

Toen we naar het vliegtuig wandelden echter, zagen we dat de Katla toch nog ging beslissen over onze terugkeer. Het vliegtuig dat ons moest terugbrengen, had de naam Katla gekregen.

Uiteraard waren we blij dat we een paar uur later veilig in Brussel aan kwamen, al hadden we het niet erg gevonden wanneer de reis nog een weekje langer had geduurd 🙂

21 juni: tropisch

 

Een idee waar ik al langer mee speelde: wanneer je in een land bent waar de zon nooit onder gaat, moet je toch eens een midzomernacht gezien hebben. En deze dag was ideaal daarvoor. De lucht was helder, het uitzicht was grandioos en er stonden in de verste verte geen obstakels in de weg zodat je de zon tot aan de horizon kon blijven volgen.

“Nooit ondergaande zon” is trouwens niet echt waar: ze ging rond deze tijd wel onder gedurende twee uur, maar echt donker zou het niet worden.
Om half 1 ben ik dus opgestaan en naar buiten getrokken. Er stond een sterke en gure wind. De wereld in de wijde omgeving was verpletterend stil. En er was heel wat omgeving om verpletterd te worden. Op die paar vogels na dan, waarschijnlijk omdat ik hen had wakker gemaakt tijdens mijn tocht naar de verlaten weg, waar ik een nog beter overzicht had. Camera in de aanslag terwijl ik de zon meer en meer achter een bergformatie zag kruipen. Echt spectaculair zijn de foto’s niet: het lijkt op een gewone zonsondergang. Alleen het uur verraad het ongewone tijdstip. Na enkele minuten was er geen zon meer en op het moment dat de laatste zonnestraal achter de berg verdween, kreeg de hemel een ochtendgloed. De zonsopgang was ingezet. Toch heb ik niet meer gewacht tot de zon twee uur later weer zou opkomen. Er viel nog een beetje te slapen.

De boerderij had een prachtig zicht op Snæfelsjökul. Onze ontbijtplaats had ramen langs alle kanten, zodat we konden ontbijten in het midden van het prachtige landschap. Met toch een beetje spijt verlieten we deze plaats en trokken verder, door een erg heuvelachtig lavaveld waarbij we op een paar seconden drie meter moesten klimmen om vervolgens over de top een bocht te nemen die niet alleen erg scherp was, maar ook stijl naar beneden. En zo ging het voor minstens een half uur verder. In het midden van dat lavaveld, aan de rand van de zee, stond een vuurtoren met een opschrift in Comic Sans en een extreem krachtige wind. Op de terugweg door het lavaveld stopten we bij een plaats waar een heus tropisch zandstrand lag. Het lichtbruine zand gaf een vreemde aanblik omdat we gewoon waren aan het zwarte zand. Het heldere, blauwe water maakte het zuidtropische plaatje bijna compleet. Alleen de palmbomen en bikini-meisjes ontbraken. Als er al meisjes rondliepen hier, waren ze vooral erg ingepakt in dikke jassen en warme mutsen.

Een volgende wandeling trok naar Dritvik, een ooit erg drukke havenplaats maar wat nu meer weg had van een spookslot, langs stukken aangespoeld schip dat een honderdtal jaar eerder op de klippen liep en bergschapen die ons dwaas aankeken terwijl we voorbij liepen. We hebben er gepicknickt in gezelschap van een pas aangemeerde bus Duitsers – die heus niet de hele wandeling maakten die wij hebben gemaakt, pech voor hen – en vonden een “DAAG WIJ 4 ?” op de achterkant van de auto in het vuil geschreven.

Oh, het is niet omdat ik er niet meer over schreef, dat ze er ook niet meer geweest zijn. De vier vrouwen zijn we nog steeds elke dag tegen gekomen. Zo konden we onze ervaringen wat uitwisselen. Hier en daar staan ze zelfs in de verte op de foto’s, hebben we later ontdekt.

Voor de tweede grote wandeling van vandaag hebben we even getwijfeld. Uiteindelijk hebben we ze toch gedaan om tussen twee enorme rotsblokken in het landschap te wandelen. Een wandeling van toch weer meer dan twee uur.

De derde wandeling die vertrok in Arnarstapi en via merkwaardige erosie liep, hebben we niet helemaal afgemaakt. We hadden genoeg gewandeld voor vandaag. Op de klif hebben we wat in het gras gezeten, kijkend naar de meeuwen en andere vogels die rakelings voorbij kwamen gevlogen.

Op weg naar Bjarg in Borgarnes, onze laatste slaapplaats, stopten we nog even bij een zandstrand vlak bij een zwart kerkje, maar ook daar zijn we wat weggejaagd door een bende toeristen die de rust kwamen verstoren. Onze spullen hebben we in onze kamer gelegd en dan op zoek gegaan naar een eetplaats. Er was er slechts één eetgelegenheid in het dorp en gelukkig was het ongelooflijk goed en verzorgd.

20 juni: witte bergen

 

Even leek het erop dat het goede weer van de vorige dag het voor bekeken had gehouden. Na een heerlijk uitgebreid ontbijtbuffet trokken we verder door het dal waar dreigende wolken aan het samenpakken waren, klaar om een nieuwe regenaanval te lanceren. Al hebben ze zich uiteindelijk bedacht: naarmate we verder Snæfellsnes introkken, klaarde de lucht weer stralend blauw en konden we in de verte de besneeuwde toppen van Snæfellsjökull zien, die toch nog behoorlijk van ons vandaan lag. De witte toppen waren prachtig om te zien en het was heerlijk dat ze de hele dag in het zicht bleven.

Op één van de haltes hadden we een magnifiek vergezicht over Álftafjörður, de vele schiereilandjes en in de verte het havenstadje Stykkishólmur waar je zo naartoe zou kunnen springen mocht er geen halfgezonken piratenschip in de weg liggen.

In Stykkishólmur hebben we een gezellig en lekker restaurantje gevonden. Na de lunch wandelden we verder naar het hoogste punt: een vuurtorentje bovenop een harmonie van basaltzuilen. Onderaan lag de vertrekplaats van een veerboot die ook auto’s kon verschepen. Die was nogal in trek, gezien het grote aantal auto’s die stonden te wachten.

Ergens onderweg, dieper Snæfellsnes in, werden we tegengehouden door een knap jong ding die samen met haar partner een klein probleempje had. Ze zat bijna zonder brandstof en vroeg ons waar het dichtstbijzijnde tankstation was. Ik hoop voor haar dat ze mijn aanwijzingen correct heeft opgevolgd: hoewel het nog een eind rijden was, zou ze dat wel gehaald hebben. Wanneer ze haar eigen suggestie gevolgd zou hebben, was ze de eerste paar honderd kilometer niets tegengekomen dat ook maar een beetje weg had van een tankstation.

We klommen verder de heuvel op en kregen zo een mooi uitzicht op Helgafellsvatn aan de ene kant, de zee aan de andere kant en ergens tussenin een aantal velden en een gezin met vier en een half kind dat per sé aan planking wilde doen op een zonnewijzer met een ijzeren pin in het midden. Goed zot, die hoogzwangere vrouw.

Via een lavaveld met daarin andermaal een rode berg en een picknikplaats aan een prachtig meer omringd door besneeuwde bergtoppen, kwamen we bij Suður-Bár, onze volgende slaapplaats die de zee in z’n achtertuin had liggen. Deze locatie is veruit de mooiste van de slaapplaatsen waar we tot hier toe verbleven. Zicht op besneeuwde bergtoppen links en de open zee rechts. Adembenemend…

Voor ons avondeten besloten om even terug te rijden naar de picknick tafel aan het meer met zicht op de bergen en aten we onze boterhammekes op onder het goedkeurend oog van een aantal vogels die zich maar al te graag op de restjes wilden storten…

19 juni: stralend

 

Terwijl we door een prachtig dal reden, straalde de zon boven ons en kleurde de hemel heerlijk blauw. We waren al bijna vergeten hoe “mooi weer” eruit zag. En hoewel het toch nog maar amper 12 graden was, voelde de zon heerlijk warm aan.

Picknicken deden we bij een standbeeld van een zekere dichter Stephan G. Stephansson, maar dat weet ik ook nog maar net. De picknickplaats lag vrij hoog en dus waaiden we er bijna uit onze sokken. En hoewel de zon erg haar best deed om voor een aangename warmte te zorgen, de ijzige wind koelde alles behoorlijk af waardoor we snel terug in onze warme auto kropen en verder reden. Gravelwegen en mooie dalen leiden ons naar een tufkerkje, erg zwart en volkomen oninteressant waardoor we ook niet van plan waren voor de inkom te betalen, al was het maar omdat we nog steeds geen halve kroon op zak hadden.

We trokken verder via Blönduós richting een basaltformatie dat sterk leek op een ruïne van een middeleeuws kasteel. Verder baanden we ons een weg door de hevige wind naar een wit-grijze rots die eigenlijk gewoon grijs is maar z’n witte plekken dankzij veelvuldige vogelproductie kreeg. De volgens Tine wilde paarden onderweg op de rijbaan waren volgens mij gewoon tamme die vonden dat ze hetzelfde recht genoten als de schapen, om zich aan de andere kant van de omheining en op de weg te begeven. Tenslotte brachten we nog een bezoek aan een plaats waar je zeehonden kon spotten. Die beestjes daagden ons gewoon uit door hun kopjes even boven water te steken, ons genoeg tijd te geven om de camera te richten en op het moment dat we klaar waren om ze te filmen/fotograferen doken ze weer onder om een paar meter verder opnieuw boven te komen. En nog durfden ze ons recht in onze ogen te kijken.

Onze slaapplaats was een manege deze keer. Gauksmyri rook naar paard en binnen hingen alle muren vol afbeeldingen van paarden, hoefijzers, de kasten vol paardaccessoires… Het eten was er in buffetvorm: zalm, kip, lam, steak van koe en paard en zelfs walvis. Uiterst verzorgd, eenvoudig en heerlijk klaargemaakt. Walvis smaakt wel speciaal en is niet meteen voor herhaling vatbaar.

18 juni: Ieder om beurt

 

Onze eerste stopplaats hadden we een dag eerder in het toeristisch center van Húsavík op een foto aan de muur gezien. Goðafoss is een waterval die gesplitst is in twee grote en twee kleine watervallen. Veel gefotografeerd en overal in IJsland terug te vinden op foto’s die her en der in de gebouwen worden opgehangen. Ook de wandeling ernaar toe was weer de moeite ook al was ze niet zo lang.

Ondertussen waren we zonder brood gevallen. De vorige dag was een feestdag en wij hadden daar niet op gerekend. Het aanbod in het winkeltje bij de waterval was niet erg uitgebreid en we moesten nog redelijk wat zoeken naar het brood. En een beetje chocolade. En een pluchen papegaaiduiker die toch wel te schattig was om te laten liggen.

Aldeyjarfoss was de volgende die op het programma stond. Hiervoor moesten we eerst over een lange gravelweg om dan voor een gesloten poort te komen staan. De poort luidde het begin van een F weg aan, een weg door het binnenland en onze wagen was niet geschikt om daarover te rijden. De brochure zei echter dat we gerust nog een deel konden doorrijden en na lang twijfelen, waagden we het erop: we openden de poort en reden de F-weg op. Tot we een paar meter verder weer zo’n poort tegen kwamen en de weg alleen maar grimmiger werd. Ons idee om de auto te laten staan en de drie kilometer te voet verder te gaan, werd afgevoerd door de striemende regen waardoor terugkeren de enige optie leek. Heel erg jammer, want Aldeyjarfoss lijkt wel de moeite.

Ergens onderweg hebben we langs de kant in de auto onze boterhammetjes opgegeten terwijl de regen het vuil op de wagen nog erger deed vastkleven. En omdat Akureyri als volgende op de planning stond, zijn we eerst onze spullen gaan afzetten in onze slaapplaats en dan de stad ingetrokken om de auto te wassen -‘t was nodig-, wat souvenirs te kopen en een ijsje te eten. Tine wilde softijs. Ik niet, mij is altijd geleerd dat dat gevaarlijk is voor bacteriën waardoor ik een lekker gewoon ijsje nam. Afin. een behoorlijke ijs, want de bollen hadden een diameter van zeven centimeter.

Eten hebben we bij onze slaapplaats gedaan. Ervaring had geleerd dat ze daar altijd heerlijk eten klaarmaakten. In dit geval liet onze ervaring ons in de steek. De champignonsoep was meer champignonpudding, de kip en met kippenkruiden bestrooide frieten dreven in vet met champignons en het ijs achteraf was ook niet te eten. Om deze culinaire catastrofe te verwerken, maakten we een korte wandeling in de buurt.

Ondertussen begonnen de darmen van Tine behoorlijk van zich te laten horen. Inclusief diarree en al. Vandaag was het haar beurt om plattekes en behoorlijk bleek haar bed in te kruipen. Het softijs had z’n werk gedaan…

17 juni: visvoer

 

Gelukkig is geen van de vorige dagen zo mistroostig tegengevallen als deze vrijdag. Voor we naar Húsavík reden voor de walvisvaart die we hadden vastgelegd, zijn we nog een beetje gaan wandelen tussen de pseudokraters die net over onze verblijfplaats lagen. Niet echt spectaculair maar wel leuk als ochtend wandeling. Nadien brachten we een kort bezoekje aan een souvenir winkeltje iets verderop om dan richting Húsavík te rijden.

Eigenlijk zegt zo’n walvisvaart me niet veel. Naar open zee varen om dan -wanneer je geluk hebt- een paar vissenruggen te zien. Maar ach, mijn bruid wilde wel erg graag gaan varen en dan stem je maar toe.

Omdat met een volle maag gaan varen niet echt een slim idee is -je zou eens zeeziek kunnen worden- zijn we eerst gaan eten. Vis voor mij natuurlijk, we zitten niet voor niks in een havenstad. En dan, een uur of wat later, de walvisvaart. Klein probleem: de zee is even woelig als in de winter en dan varen ze niet uit wegens te woelige zee. Vandaag varen ze wel uit.

We waren nog niet uit de haven en ik voelde dat ze last gingen hebben met mij. Het heeft uiteindelijk nog een tweetal uur geduurd maar uiteindelijk hing ik toch over de railing de vissen eten te geven met mijn lunch. En gelukkig waren er een paar dolfijnen die langs mijn kant kwamen voorbij gezwommen, samen met hun kalfje, zodat ik ook wat zeegedierte heb mogen aanschouwen. De “ooh beautiful!” walvisstaart is aan me voorbij gegaan.

En dan vaar je eindelijk terug en dan zie je de haven naderen en je ziet al huisjes ondanks de mist en dan denk je “nog even volhouden” en dan vinden een paar waterzoogdieren het dol fijn om achter de boot te komen zwemmen waarop die rechtsomkeer maakt en ik luidkeels denk “neeeeeeee!” wat omwille van het zeegebruis door niemand wordt gehoord.

Wanneer we dan toch eindelijk in de haven terechtkwamen, feliciteerde de gids ons nog met de honeymoon en kregen we een Húsavík whale watching souvenir mee onder applaus van zij die niet te erg bezig waren met het over de rand hangen van de boot. Het gedacht dat ik niet alleen was, stemde me dan toch iets vrolijker.

Meteen aan wal had ik een ongelooflijke zin in warme chokolademelk en dat is precies wat we gaan drinken zijn net voor we recht naar de slaapplaats zijn gereden om daar meteen in bed te kruipen. Voor mij geen whale watching meer.

16 juni: rook

 

Een dag eerder was me een plaats opgevallen langs het Mývatn waar ik zeker eens wilde stoppen. Via de parkeerplaats konden we naar het meer wandelen, dwars door een landschap dat veel weg had van een ruïne van een middeleeuws kasteel. We konden er naar het water wandelen, maar keerden al snel terug toen we zagen dat er wederom een hele bus toeristen uitstapten. We zetten koers langs de modderpoelen op weg naar onze eerste geplande stopplaats.

Wanneer we daar aankwamen, wisten we even niet goed wat we zagen. Rondom ons kleurde alles rood: al het lava gesteente was knalrood met hier en daar wat paarse vlekken. Het plateau gaf een prachtig zicht op Hafragilsfoss, al was dat uitzicht van korte duur: een hardnekkig dikke mist kwam ons vergezicht vertroebelen en werd hardnekkiger naarmate we hoger begonnen klimmen. Vreemd is dat toen we op het hoogste punt aankwamen, de mist even plots verdween als ze was komen opzetten, waardoor het prachtige uitzicht zich onthulde net zoals het doek in een toneelstuk wordt opengeschoven. Het kleurenpallet van het rode gesteente aan onze kant, het donkergrijs aan de overkant en dat gemengd met plukjes groene vegetatie en het blauw van de rivier beneden, snoerde ons de mond even.

We zijn er een behoorlijke tijd blijven staan kijken om dan verder te rijden naar Dettifoss, een eind verder stroomopwaarts. Deze waterval heeft zo’n kracht dat het opspattende water alleen al genoeg was om een mistige sluier te werpen en ons vooral goed nat te maken naarmate we dichterbij kwamen. Van hieruit vertrekt een wandeling naar Selfoss die in onze reisgids beschreven stond als optioneel en wij dus zeker wilden gedaan hebben. De 1,5km lange wandeling was best moeilijk door de rotsachtige ondergrond. Weinig toeristen kwamen naar hier en oh wat hadden die ongelijk. Selfoss is mogelijk nog mooier en specialer dan alle andere watervallen die we tot hier toe hebben gezien. De speciale vorm die de waterval zo speciaal maakt, is op satellietfoto‘s erg goed te zien.

Met een geweldig gevoel keerden we terug naar de wagen. We hebben er eerst een hapje gegeten en trokken dan richting een heel complex van kraters die de Krafla vulkaan heeft gemaakt. Volgens Tine zou één van die kraters nog roken van de uitbarsting in 1984, hetgeen ik uiteraard niet geloofde. Om in de krater te komen, moesten we eerst door de sneeuw ploeteren, een houten pad beklimmen dat vooral erg stuk was gevroren om dan via een prachtig geel landschap terecht te komen in de donkergrijze krater die… nog aan het roken was van de vorige uitbarsting. De ondergrond was effectief nog warm en de paarse slierten gesteente hingen langs alle kanten als gesmolten plastic aan de wand van de berg. Het ruwe, chaotische landschap waar we in terechtgekomen waren, schreeuwde ons toe en maakte ons net angstig genoeg om maar een klein stukje in de krater te wandelen. Het leek alsof de vulkaan elk ogenblik opnieuw kon uitbarsten…

Heel anders is z’n buur, de ronde Viti krater die gevuld is met helblauw water. Ook daar zijn we niet helemaal rond geweest. Ten eerste omdat het al redelijk laat begon te worden en ten tweede omdat de rand van de krater op bepaalde plaatsen maar amper anderhalve meter breed was en met tientallen meters afgrond langs weerszijden en de hevige wind, gaf dat niet bepaald een erg comfortabel gevoel.

Deze wederom prachtige en ongelooflijk gevulde dag zijn we gaan verwerken, rustig wekend in het 38 graden warme, met mineralen doordrongen water van de Mývatn Nature Baths. Deze mineraalbaden zijn net als de Blue Lagoon maar dan goedkoper, midden in de natuur en minder gecommercialiseerd. En daardoor waarschijnlijk nog dat tikkeltje meer relaxerend…

15 juni: puffins

 

Veel en hoog klimmen. Dat stond er voor dag 7 op het programma. Vele en hoge bergpassen moesten we over en naarmate we hoger klommen, lieten we het goede weer achter ons om vervolgens in de dichte mist terecht te komen. Op een gegeven moment sneeuwde het zelfs echt hard. We klommen minstens twee meter per seconde en zagen met momenten amper zo ver voor ons. Tot we duidelijk over het hoogste punt van de berg waren en de afdaling begon.

In de brochure stond dat we een prachtig dal zouden kunnen zien. Wij zagen vooral mist. En sneeuw. Eenmaal in het dal aan de overkant van de berg, stopten we aan een veelkleurige ravijn om daar een korte wandeling te maken. Omdat de weg op een gegeven moment verdween en wij niet gekleed waren om stroomopwaarts door het water te trekken, besloten we om terug te keren en onze tocht verder te zetten naar Borgarfjörður waar zich een winkeltje bevindt waar men kunstwerkjes, eerder souvenirs, verkoopt die gemaakt zijn van stenen, al dan niet geschilderd, in vormen gesneden of op elkaar geplakt. We hebben er een warme chocomelk gedronken. De vier vrouwen kwamen we er ook weer tegen en wezen ons op de droogrekken voor vis die aan de andere kant van het gebouw stonden. Behalve een paar vissenkoppen en graten, hing er niet veel. We zijn dan ook redelijk snel doorgetrokken.

Bakkagerði was een optioneel bezoek omdat je de vele kilometers ook terug moest doen en geen mogelijkheid had om door te trekken. Maar gezien de rots, die daar aan het kleine haventje ligt, vol papegaaiduikers zou zitten, hebben we die weg toch gedaan. Papegaaiduikers was namelijk, naast Jökulsárlón, nog zoiets dat we absoluut wilden gezien hebben. Wij dus naar die rots. En of er papegaaiduikers zaten. Met z’n honderden troepten ze er samen. Ook hier zijn we erg lang blijven plakken en veel te veel foto’s blijven nemen, maar ach wat zijn we blij dat we er naartoe zijn gereden. Zij die dit stukje niet hebben gedaan hebben om eender welke reden, hebben ongelijk gehad!

Met zicht op de rots hebben we er een paar uur later wat gegeten om vervolgens weer terug te rijden, over de bergpas waar het ondertussen opgeklaard was en zo het prachtige dal onthuld werd. We zetten koers naar Myvatn waar onze volgende slaapplaats lag.

Vlak voor we het gebied binnenreden, werd onze aandacht getrokken door een gele berg. Eerst dachten we dat het de zon was die op de bergflank weerkaatste ook al was het dicht bewolkt op dat moment. Het bleek echter door de zwavel in die berg te zijn. Aan de voet van die berg lagen stinkende modderpoelen die spectaculaire foto’s opleveren maar waar de lucht echt niet gezond was om in te vertoeven.

Toen we besloten dat we genoeg zwavel opgesnoven hadden en genoeg Engelsen gezien hadden die elkaar in vreemde poses fotografeerden, reden we door naar Reykjahlíð om daar te eten. Op onze slaapplaats konden we toch geen eten krijgen. We wandelden een soort IJslandse Lunch Garden binnen. Verschil was dat ze hier wel warm eten hadden. En het was nog lekker ook.

14 juni: dipje

 

Het viel ons meteen op bij het weerom verzorgde ontbijt. De nogal verwarde man des huizes had nog steeds het hemd aan dat hij de avond tevoren serieus bevlekt had. Je kunt voor “save the environment” zijn, maar je kunt ook overdrijven. Alleszins, wij trokken vol goede moed en verwachting de dag in. Even zijn we Hofn binnengereden maar het bleek al snel dat daar niet al teveel te beleven viel. En verder onderweg zijn we vooral erg dicht bij de zee gereden, in een tunnel dwars door een rots en pipi in openlucht gedaan. Gebrek aan accomodatie.

Eigenlijk hebben we de hele voormiddag vooral gereden. En ondertussen veranderde het landschap hoor, jawel. Maar we waren de voorbije dagen nogal verwend geworden en waren niet meer tevreden met een gewone berg of met een herkauwend schaap langs de weg. En zo kwam het dat de voormiddag vooral gevuld werd door autorijden.

Eten deden we die middag op de parking van een tankstation met uitzicht op een hoop stenen en IJslands wasgoed dat in de hevige wind een poging deed om droog te worden. We waren beter een beetje verder gereden en gaan picknicken op een parkeerplaats met uitzicht op een prachtig dal. Alhoewel. Toen we daar aankwamen en wat foto’s aan het nemen waren, kwam een hele bus toeristen aan – Duitsers deze keer – en gezien de plaats iets te klein was voor ons allemaal, zijn wij maar doorgereden.

We hadden de keuze: de goede weg nemen, hetgeen een heel eind om zou zijn, of een grindweg nemen die mogelijk afgesloten was wegens te gevaarlijk (afhankelijk van het weer) en ons recht over de berg zou leiden waar we anders rond zouden gaan. Wij dus over die berg. De temperatuur daalde zienderogen, het landschap werd beklad door plukken sneeuw en toen we even stopten bij een watervalletje, werden we nogal letterlijk bijna omver geblazen.

Het weer werd ook slechter en tegen dat we bij het grootste bos van IJsland – toch zeker zo groot als het stadspark – regende het. Door de regen en het feit dat ik ondertussen behoorlijk moe was – Tine moest het stuur overnemen – hebben we verder niets gedaan. Om 16u waren we al bij onze volgende slaapplaats. We werden vriendelijk onthaald door een oud vrouwtje dat bij het ontvangen van onze voucher nogal hevig bij zichzelf nee knikte alsof er iets fout was. Er was ook iets fout. Ze had ons een verkeerde kamer gegeven. Een upgrade. En ons hoorde je niet klagen.

We zijn de stad ingetrokken om eten te zoeken. Op de kaart leek het een behoorlijk grote nederzetting te zijn, maar deftig eten vinden was blijkbaar wat moeilijker. Tot we ergens achterin een klein restaurantje vonden. Cafe Nielsen in Egilsstaðir ziet er op het eerste gezicht maar vreemd uit, maar omdat dat het beste was wat we vonden, besloten we het er toch op te wagen. En wat een geluk! Het eten was er voortreffelijk en binnenin was het best gezellig. Na een kreeftensoepje en wat lam – voor Tine een groentensoepje en catfish – riep ons bedje in onze geupgrade slaapplaats voor een deugddoend slaapje…