Tandjes poetsen

“Tellen! Nul!”.
“Eindelijk,” denk ik. Dat is het teken dat ik gewonnen heb. Tandjes poetsen is niet meteen Lotte’s favoriet van het avondritueel. Maar wanneer ze dat zegt, dan gaat ze meewerken. Nu moet ik tellen terwijl ik haar tandjes poets. En beginnen vanaf nul.

Ik begin te tellen. “Nul. En wat komt er na nul?”
– “Eén, ” zegt Lotte.
– “Juist,” zeg ik, “en wat komt er na één?”
– “Zes.” Ze zegt het met een lach op haar gezicht.
– “Neen, na één komt twee. En na twee komt…”
– “Zes.”
– “Na twee komt drie. En na drie komt…”
– “Zes!” De lach op haar gezicht wordt groter.
– “Maar nee, na drie komt vier! En na vier, wat komt er dan?”
– “Zes!” Ze lacht nu helemaal.
– “Nee, zotteke. Na vier komt vijf. En na vijf wat komt er dan?”

– “Acht!”

Smogalarm

Ilyano tuurt wat wezenloos voor zich uit. Het is onwerkelijk, die jongen die anders de grootste mond heeft van de hele bus, nu zo stil en roerloos te zien staan. Wat verder, tussen de kinderen die al zijn uitgestapt, staan twee meisjes te snikken. Zij zaten aan de kant van de bus waar nu een vrouw naast haar auto staat. Ze schreeuwt het uit. Dat ze dit niet heeft gewild, dat ze zo’n spijt heeft…

Lotte was een opgewekte baby. 14 maanden oud maar nog steeds kon ze niet lopen. Lachen wel. En kusjes geven. Ze was altijd opgewekt en goedlachs. Eigenlijk huilde ze enkel wanneer ze grote honger had. Of een keelontsteking, dan ook. Maar voor de rest steeds tevreden. Haar mama Tess bracht haar ’s ochtends altijd naar de crèche. Wanneer ze Lotte in de autostoel zette, keek die steevast onmiddellijk naar de kant waar haar blauwe eendje altijd lag. Het lag er nog! En wanneer ze dat eendje dan in haar handjes geduwd kreeg, keek ze zo dankbaar terwijl ze breed glimlachte.

De hele weg naar de crèche speelde Lotte braaf achterin de rode C3. Ze stak de eend met haar twee handjes omhoog, dan weer omlaag, terwijl ze kraaide en babbelde en toch ook af en toe een geluidje maakte waar Tess met wat verbeelding “kwak kwak” uit kon opmaken. Het was mistig en op de radio kondigde men aan dat je wegens smogalarm op de autostrades niet hard mocht rijden. Geen nieuws voor Tess dus, zij nam altijd binnenwegen. Maar ook tussen de velden en in de dorpen waar ze kwam, zag je de vuile lucht oplichten door een opkomende zon. In de verte kon je zo een schoolbus zien staan. Waarschijnlijk net een kind opgehaald, want de richtingaanwijzer was aangestoken. Terwijl ze dichterbij kwam, zag Tess dat de bus werd voorbijgestoken door een hele stroom wagens. En hoewel de bus zich rustig weer in beweging zette, waren er toch nog steeds auto’s die haar voorbij reden. Allemaal mensen die hun voorligger nog gauw volgden. Go with the flow. Allemaal mensen die de bus wilden voor zijn, stel dat ze straks weer twee minuten moesten wachten tot een ander kind was opgestapt. Allemaal mensen die daar geen tijd voor hadden. Allemaal mensen die zich niet bedachten dat de tegenliggers tegen zeventig kilometer per uur naderden.

Een ogenblik verwachtte Tess dat de volgende wagen zou wachten aangezien de bus weer vertrokken was en zij kwam aangereden. En toen verscheen er een BMW van achter de bus die zich er nog snel voor wilde zetten. Een fractie van een seconde had Tess om aan haar rechterkant te zien dat ze door geparkeerde auto’s niet kon uitwijken en vervolgens uit alle macht te remmen terwijl ze de vrouw in de BMW strak in de ogen keek. Een beetje paniek kon je bespeuren, ja, toen wel. De klap slingerde haar auto tegen de bus en tientallen meters verder om dan al tollend tot stilstand te komen, geplet rond een boom.

Hoewel de buschauffeur en de begeleidster het zicht proberen te belemmeren, kunnen ze niet vermijden dat de kinderen een glimp opvangen van een BMW waarvan de hele voorkant in elkaar is gedrukt. De voorruit is gebarsten en een airbag puilt afgelaten door de zijruit. De vrouw staat er nog steeds naast te roepen. Dertig meter verder plaatst de politie schermen voor een boom waarrond wat rood staal geplooid is. Aan de banden zie je dat het ooit een auto is geweest. Op de straat ligt een afgerukte achterdeur en een linkerschoen. En nog wat verder een bebloede autostoel.

Ilyano strompelt met gebogen hoofd naar de andere bus die hem naar zijn school zal brengen. Zijn aandacht wordt naar de struiken op het voetpad getrokken. Stilzwijgend bukt hij zich en haalt een blauw eendje uit de lage stammen…

 

Er is een klein detail dat maakt dat dit verhaal niet zo is gelopen. Er stonden geen auto’s geparkeerd langs de kant van de weg. Tess kon dus net uitwijken en de vrouw in de BMW raasde gewoon voorbij.
Maar het had heel anders kunnen zijn.
Geef voorrang aan hoffelijkheid. Met een vleugje geduld.
Dankjewel.

Door het groen

Aan de agressieveling die het nodig vond om naar mij teken te doen dat ik niet goed snik was.

Ik weet, men rijdt vaak door het oranje of zelfs rood aan zo’n verkeerslichten van wegenwerken. Ik niet. Ik reed door het groen. Als in ik-zag-het-niet-eens-op-oranje-springen zo groen. Is het misschien al opgekomen in die kop van je, waar je volgens mij je wijsvinger in probeerde te boren, dat die lichten mogelijk niet goed op elkaar zijn afgesteld?

Doe zoals ik en laat het die vriendelijke werklui even weten, zodat zij die lichten kunnen laten controleren.

De molenaar, de jongen en de ezel

Opeens moest ik denken aan een verhaal dat ik lang geleden heb gehoord.

Een molenaar en zijn zoon gingen met hun ezel naar de markt. Terwijl ze elk aan een kant van de ezel liepen, passeerden ze een boer, die zei: “Jullie zijn gek! Welk nut heeft een ezel behalve dan dat je erop kunt rijden?”

En dus hijste de molenaar zijn zoon op de ezel en zo zetten ze hun weg voort. Maar al gauw passeerden ze een groep ouderen. Eén van hen zei: “Kijk daar, die luie jongen! Hij laat z’n vader wandelen terwijl hij lekker op de ezel kan zitten.”

En dus beval de molenaar zijn zoon om af te stijgen en ging zelf op de ezel zitten. Maar niet veel verder kwamen ze twee vrouwen tegen, waarvan de ene tegen de andere zei: “Schandalig, die slungel die zijn arme zoontje zo achter die ezel aan laat strompelen”

Wel, de molenaar wist even niet meer wat gedaan, maar uiteindelijk tilde hij zijn zoon voor hem op de ezel en reden samen verder. Ondertussen waren ze bij het dorp aangekomen en de voorbijgangers begonnen hen uit te jouwen en na te wijzen. De molenaar stopte en vroeg waarom ze zo deden. De mensen zeiden: “Ben je niet beschaamd om dat arme dier zo te overladen, jij en die lompe zoon van je!”

De molenaar en zijn zoon stapten van de ezel en dachten diep na wat ze nu moesten doen. Ze dachten en dachten en uiteindelijk hakten ze een dikke tak af, bonden de ezel z’n poten eraan vast en hesen de tak met de ezel op hun schouders.

Zo gingen ze verder onder het luidkeels gespot van iedereen die ze tegenkwamen. Tot ze op de brug voor de markt kwamen waar de ezel een achterpoot los schopte, waardoor de zoon schrok en de tak uit zijn handen liet vallen. De ezel spartelde, viel over de brug in het water en verdronk aangezien zijn voorpoten nog vastgebonden waren.

“Dat zal jullie leren,” zei een oude man die hen had gevolgd: “wat je ook doet, je doet nooit voor iedereen goed.”

Æsopus (zesde eeuw voor Christus) Fabel no. 62 (The man, the boy and the donkey)

Heengevlogen

 

Alsof ze zachtjes ingedommeld is, ligt ze rustig op de kille stenen voor het tuinhuis. Ze is heengevlogen. Ginds.

Ik weet niet waar vogeltjes naartoe vliegen wanneer ze sterven. Gewoonlijk kruipen ze stilletjes in een donker hoekje om daar hun oogjes voor de laatste keer te sluiten, ver weg van de drukte, van het zicht. Een beetje wezenloos sta ik te verzinnen wat ik met het kleine lichaampje moet doen. Ik heb haar zachtjes in een broodzak gelegd, met achtergebleven kruimeltjes rondom als een soort offer in haar laatste rustplaats op een bedje van versgemaaid gras.

Goedemorgen

Je wandelt de stilte in van de kamer waar het licht nog niet helemaal is kunnen binnendringen. Hier begint de dag en beetje later. Traag en ietwat ongecontroleerd wrijven kleine handjes door oogjes die nog half slaperig proberen open te gaan. In het zachte ochtendlicht knipperen ze aarzelend terwijl het hoofdje heen en weer beweegt op zoek naar de zalige roes waarin het de voorbije uren zo heerlijk heeft vertoefd.

Plots kijken de twee oogjes je klaar wakker en groot aan. Er verschijnt een glimlachje in de hoek van het mondje dat je op de meest eerlijke manier stilzwijgend een heerlijk gemeende goedemorgen wenst.

Zongeschijn

Gisteren wandelde ik zomaar naar buiten met mijn met piekernissen gevulde hoofd vol zelfverklaarde zorgen en een met brood geledigde brooddoos. De zon streelde warm mijn wang, heel even maar. Ik draaide me om, keek haar recht aan met mijn ogen gesloten en luisterde hoe mijn hoofd zachtjes leegsijpelde tot enkel de gedachte overbleef van waar maak ik me toch zorgen om. Met een niet te onderdrukken glimlach en een kinderlijk gelukzalig gevoel wandelde ik lichtjes verder in het warme geschijn van de zon waarmee het allemaal begon.

Sneeuw

Ronkend draaien wagens stationerend van mensen die zonder moeite het opgelegde witte deken proberen weg te nemen om vervolgens onkundig traag over het zilte wegdek te kuieren en veel te laat op hun werk te gaan klagen over de vuile smurrie die ze zelf hebben veroorzaakt.

Wandel naar buiten en geniet van de rustig dwarrelende vlokjes die op je koude neus smelten in het heerlijk witte landschap dat enkel in de mooiste sprookjes wordt beschreven en waarvan de pracht maar zelden te aanschouwen is in onze dwaze realiteit.